Pensioenrecht en zorgplicht; de rol van de assurantietussenpersoon

Al vaker schreven wij over de zorgplicht die een steeds grotere en belangrijkere rol gaat spelen in het pensioenrecht. Een pensioentoezegging speelt zich af tussen in principe drie partijen, in de zogenaamde pensioendriehoek. Een werkgever komt een pensioentoezegging overeen met een werknemer. Deze toezegging moet vastgelegd worden in de zogenaamde pensioenovereenkomst. Vervolgens rust op de werkgever de verplichting om deze pensioenovereenkomst veilig te stellen bij een pensioenuitvoerder. De afspraken hieromtrent moeten vastgelegd worden in de uitvoeringsovereenkomst. Tot slot moet de pensioenuitvoerder de werknemer informeren over enkele facetten van de pensioen- en uitvoeringsovereenkomst en dit gebeurt in de zogenaamde pensioenbrief. Echter, veel werkgevers maken bij het aangaan van een pensioenovereenkomst gebruik van de dienstverlening van een pensioenadviseur. Wat is de rol van deze adviseur in de pensioendriehoek en meer specifiek welke zorgplicht rust op deze adviseur? Gerechtshof Arnhem – Leeuwarden heeft zich recentelijk over deze vraag uitgelaten.[1] Waar ging het in deze kwestie over?

Feiten en omstandigheden
Appellant is gedurende een lange periode werkzaam geweest als directeur / bestuurder van een ziekenhuis. Uit dien hoofde heeft hij pensioen opgebouwd bij Pensioenfonds Zorg en Welzijn (PFZW). In 2014 heeft appellant gebruik gemaakt van de mogelijkheid om vervroegd met pensioen te gaan.

Naast de pensioenregeling bij (PFZW) bouwde appellant via zijn werkgever ook nog pensioen op bij AEGON. Deze pensioenverzekering werd beheerd door de assurantietussenpersoon van de werkgever. Deze verzekering was ingegaan per
1 december 1998 en expireerde op 1 juni 2009 en voorzag toen in een kapitaal van
€ 266.369,-. In die polis was een clausule opgenomen dat het opgebouwde kapitaal op de einddatum gebruikt moest worden voor de aankoop van een pensioen tegen de op dat moment geldende tarieven.

Appellant heeft echter besloten om langer door te werken en aan de assurantietussenpersoon verzocht om de expiratiedatum van de polis op te schuiven tot 1 juni 2016. In dat kader zijn gesprekken gevoerd tussen werkgever – werknemer – assurantietussenpersoon en de Belastingdienst.

In dat kader is in 2009 een offerte verstrekt door AEGON, waaruit een verhoogd kapitaal in 2016 blijkt met bijbehorende pensioenuitkering van € 20.961,59 bruto per jaar. Hierover is tussen appellant en de assurantietussenpersoon gesproken, waarna de tussenpersoon per brief heeft aangegeven dat het door AEGON genoemde kapitaal en de genoemde uitkeringen in 2016 juist en gegarandeerd zijn. Op de polis die appellant vervolgens ontvangt is opgenomen dat de genoemde bedragen gegarandeerd zijn, tenzij anders vermeld.

In 2012 ontvangt appellant een UPO met een lagere pensioenuitkering. Naar aanleiding hiervan neemt appellant contact op met de tussenpersoon, waarop deze aangeeft dat het uitkeringsbedrag afhankelijk is van de rekenrente op einddatum en dat de tussentijdse indicatie geen houvast geeft.

In het UPO 2015 zakt de uitkering nog verder. Redenen genoeg voor appellant om opnieuw contact op te nemen met de tussenpersoon. Hierop reageert de adviseur dat alleen het eindkapitaal gegarandeerd is en de uitkeringen niet. Appellant wijst de adviseur vervolgens op de toezegging in 2009. Ook dient appellant een klacht in bij AEGON, maar AEGON neemt het standpunt in dat zij nimmer iets gegarandeerd heeft inzake de hoogte van de uitkering.

Dispuut
Om die reden heeft appellant de assurantietussenpersoon aansprakelijk gesteld. In deze discussie blijkt dat in 2009 ook een andere keuze gemaakt had kunnen worden, namelijk het aankopen van een uitgesteld direct ingaand pensioen. Dan was de hoogte wél gegarandeerd geweest op een niveau, zoals door de adviseur gecommuniceerd. Deze keuze blijkt echter achteraf theoretisch te zijn geweest, omdat AEGON een dergelijk product niet bood.

De kantonrechter heeft de vorderingen van appellant om een aantal redenen afgewezen:

  • De appellant had moeten begrijpen dat alleen het eindbedrag was gegarandeerd en niet de uitkeringen;
  • De brief van de adviseur moet gezien worden als een uitleg van de offerte van AEGON. Aan die brief kon niet het gerechtvaardigd vertrouwen ontleend worden dat de pensioenbedragen gegarandeerd waren;
  • Geen enkele verzekeraar gaf een garantie op de uitkeringen af;
  • Het komt voor rekening en risico van appellant dat de rekenrente in 2016 lager is dan in 2009.

Het gerechtshof buigt zich allereerst over de vraag of de adviseur zich als een goed opdrachtnemer heeft gedragen op grond van artikel 6:76 BW en 7:401 BW. Daarvan is sprake als de adviseur de zorgvuldigheid heeft betracht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. Dit houdt, volgens het Gerechtshof onder meer in dat de adviseur appellant in staat moest stellen goed geïnformeerd te beslissen naar aanleiding van de van AEGON ontvangen offerte. De dienstverlening beperkt zich niet tot waarom uitdrukkelijk is gevraagd. Gezien de feiten en omstandigheden hield dit ook in dat appellant nader geïnformeerd wenste te worden over de offerte en de vraag of sprake was van een eindkapitaal en al dan niet gegarandeerde pensioenbedragen.

In de brief van de adviseur is geen enkel voorbehoud opgenomen en appellant heeft uit deze brief kunnen en mogen begrijpen dat de uitkeringen gegarandeerd waren. Appellant heeft niet hoeven twijfelen aan de inhoud van de brief, ondanks dat zijn product tot 2009 geen garantie kende omtrent de hoogte van de uitkeringen én dat het in 2009 bij AEGON niet mogelijk was om een gegarandeerd pensioen aan te kopen.

Het Gerechtshof is dan ook van mening dat de adviseur niet aan zijn zorgplicht heeft voldaan. Een arrest die handvaten biedt in het kader van andere zorgplichtdiscussies.

De vervolgvraag is dan echter wat de schade is. Hiervoor is van belang dat appellant kan aantonen dat het mogelijk was om in 2009 bij AEGON een gegarandeerd pensioen ingaande in 2016 aan te kopen. Op dit punt wordt appellant in de gelegenheid gesteld om nader bewijs aan te brengen, nu dit tot op heden nog onvoldoende is onderbouwd. Gezien de weerlegging hiervan door AEGON een lastige bewijsopdracht, wordt dus nog vervolgd.

[1] Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 9 juli 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:5626

Linda Evers - Gommer & Partners Pensioenadvocaten

Mr. B.F.M. Evers MPLA

Linda is sinds 2004 werkzaam als advocaat bij Gommer & Partners, daarvoor was zij werkzaam bij diverse verzekeraars en pensioenfondsen als pensioenjurist. Zij is lid van de Nederlandse Orde van PensioenDeskundigen, treedt regelmatig op als docent en publiceert in verschillende wetenschappelijke tijdschriften. Al meer dan tien jaar adviseert Linda in de volle breedte over alle thema’s die op pensioengebied spelen, o.a. de problematieken rondom de verplichte deelneming aan bedrijfstakpensioenfondsen.