De verjaring van pensioenpremies, een nieuwe invalshoek?

De vraag wanneer pensioenpremievorderingen van pensioenfondsen op werkgevers verjaren is al enige tijd onderwerp van debat. Een werkgever realiseert zich vaak niet dat sprake is van een verplichte aansluiting bij een pensioenfonds. Wat nu als pas na vele jaren duidelijk wordt dat deze verplichting er is? Kan het pensioenfonds over deze gehele periode de premies alsnog vorderen? Met alle financiële gevolgen voor de onderneming van dien?

Huidige stand van zaken
Deze vraag is al regelmatig onderwerp van discussie geweest. Binnen de rechtspraak leken er zich de afgelopen jaren twee stromingen voor te doen. Enerzijds oordeelde Gerechtshof ’s-Hertogenbosch[1] dat de pensioenpremies na vijf jaar vanaf de aansluiting met terugwerkende kracht verjaren op grond van art. 3:308 BW. Voor de verklaring van recht omtrent de toepasselijkheid van de verplichtstelling en het aanleveren van deelnemersgegevens geldt art. 3:308 BW, derhalve een termijn van 20 jaar, zo oordeelde het Hof. Anderzijds oordeelde Gerechtshof Arnhem – Leeuwarden[2] dat bij een aansluiting met terugwerkende kracht bij een verplicht gesteld pensioenfonds een verjaring van vijf jaar speelt op grond van art. 3:308 BW voor het afdragen van pensioenpremies. De verjaringstermijn vangt echter, volgens dat Hof, op grond van het Uitvoeringsreglement aan op de dag na het verstrijken van de betalingstermijn van de facturen. Een min of meer onbeperkte terugwerkende kracht derhalve. Gerechtshof Den Haag[3] ging ook in deze stroming mee.

Nieuwe stroming
Gerechtshof Arnhem – Leeuwarden[4] is echter op haar eerdere oordeel teruggekomen.

Niet alleen het moment van ‘opeisbaarheid’ zal bepalend zijn bij de verjaringskwestie rondom pensioenpremievorderingen, maar ook het moment waarop deze vordering zelf ontstaat. Aangegeven wordt dat op grond van de Wet Bpf 2000 van rechtswege een aansluitplicht geldt, maar dat pensioenfondsen in feitelijke zin pas bekend kunnen zijn met pensioenpremievorderingen wanneer zij (redelijkerwijs) bekend zijn met de verplichte deelneming van de werkgever. Om die reden is artikel 3:308 BW (en daarmee de korte verjaringstermijn van vijf jaar) niet van toepassing in dergelijke situaties.

Zoals gezegd, de vorderingen ontstaan van rechtswege, zonder dat het pensioenfonds, dat recht heeft op de premies, bekend is of hoeft te zijn met de vordering op de werkgever. Daarbij komt dat het Gerechtshof het ‘weinig gelukkig’ acht dat de verjaring van pensioenpremies wordt beheerst door pensioenreglementen c.q. uitvoeringsreglementen. Het moment van ‘opeisbaarheid’ van pensioenpremies kan namelijk reglementair zijn vastgesteld – waarover tot dusverre discussie heerste, zoals aangegeven.

Het Gerechtshof sluit dus aan bij de verjaringstermijn van artikel 3:306 BW. De korte verjaringstermijn van vijf jaar (artikel 3:308 BW) geldt volgens het Gerechtshof wel voor een eenmaal opgelegde periodieke premienota, of een periodieke premienota die door verzuim van het pensioenfonds niet (tijdig) is opgelegd. Hierover merk ik op dat de benadering van het Gerechtshof aansluit met het moment waarop de verjaringstermijn van een vordering uit onrechtmatige daad aanvangt. Ook voor dergelijke vordering geldt bekendheid met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon als criteria. Met een dergelijke benadering zou het gerechtshof meer aansluiting zoeken bij de wet en afstand creëren met hetgeen reglementair is geregeld omtrent het moment van opeisbaarheid van een pensioenpremie.

Verstrekkende gevolgen van de uitspraak?
Maakt deze uitspraak dat werkgevers ‘vogelvrij’ zijn ten aanzien van het pensioenfonds dat pas na decennia bekend wordt met de aansluitplicht? Nuances zijn op hun plaats. Werkgevers die hun meldplicht naleven, kunnen zich beroepen op de volledigheid van een werkingssfeeronderzoek – een beroep op rechtsverwerking derhalve. Dat betekent dat een pensioenfonds niet zomaar mag terugkomen op haar bevindingen. Is een werkgever simpelweg niet eerder in beeld geweest bij het pensioenfonds, dan geldt op grond van de meest recente uitspraak van het Gerechtshof een termijn van 20 jaar. De praktijk laat echter zien dat de meeste pensioenfondsen nog een termijn van terugwerkende kracht hanteren van vijf jaar.

Conclusie
Kortom veel onduidelijkheid voor een werkgever. Het is dus allereerst raadzaam als onderneming om periodiek te laten onderzoeken of sprake is van een mogelijke verplichte aansluiting. Daarnaast is het van belang om áls een verplichte aansluiting met terugwerkende kracht wordt geconstateerd dat in beeld wordt gebracht, hoe het betreffende pensioenfonds hiermee om gaat en tot slot wordt het tijd dat de Hoge Raad zich uitlaat over de verjaring van pensioenpremies bij een aansluiting met terugwerkende kracht. Dat zou duidelijkheid moeten creëren.

[1] Gerechtshof Den Bosch, 7 juni 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:2294

[2] Gerechtshof Arnhem – Leeuwarden, 9 mei 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:3886

[3] Gerechtshof Den Haag, 3 april 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:570

[4] Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15 oktober 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:8464

Linda Evers - Gommer & Partners Pensioen Advocaten

Mr. B.F.M. Evers MPLA, Associate Partner Gommer & Partners Pensioen Advocaten

Linda adviseert in de volle breedte over alle thema’s die op pensioengebied spelen, waarbij  zij zich heeft gespecialiseerd in de problematieken rondom de verplichte deelneming aan bedrijfstakpensioenfondsen en in de pensioendiscussies die voortvloeien uit een schending van de zorgplicht.

Gommer & Partners Pensioen Advocaten